Co-morbiditeit

Omgaan met cognitieve problemen bij mensen met afasie
door Hannelore van der Velden
Elke afasie is verschillend, net als de cognitieve problemen die náást de afasie kunnen optreden (‘co-morbiditeit’). Niet-talige cognitieve stoornissen kunnen de afasietherapie en de communicatie flink belemmeren. Waar kunnen jij (en je cliënt) rekening mee houden bij de communicatie, het voeren van een gesprek en de therapie? Hieronder is dit beschreven in vier fasen van het contact:
1. Voorbereiding van een gesprek of therapiesessie
2. Aandacht voor een gesprek of therapiesessie
3. Ondersteuning tijdens een gesprek of therapiesessie
4. Checken van inhoud en afronding
1. Voorbereiding van een gesprek
- Denk na over de timing van gesprek of therapiesessie. Plan het contact op het moment waarop je verwacht dat de cliënt uitgerust is en er de optimale aandacht voor kan hebben. Vaak is dit de ochtend. Maar het kan ook zijn dat de cliënt ’s morgens lang de tijd nodig heeft om ‘op gang te komen’.
- Denk na over de duur van je afspraak. Het kan helpen om voor mensen met afasie ruimer de tijd in te plannen voor een gesprek. Zo geef je je cliënt meer tijd om de informatie te verwerken en om te reageren. Dit geldt ook voor cliënten die mentaal trager zijn geworden. Houd aan de andere kant ook rekening met een beperkte volgehouden aandacht, verhoogde prikkelgevoeligheid of verminderde mentale belastbaarheid. Maak de duur van de afspraak niet te lang. Durf het gesprek of de therapiesessie af te ronden als je ziet dat de aandacht ‘op’ is en spreek eventueel een vervolg af.
- Denk na over de fysieke ruimte van je gesprek. Zorg voor een rustige ruimte. Zo worden cliënten met een verminderde gerichte aandacht niet afgeleid door omgevingsgeluiden en is het sowieso minder vermoeiend om het gesprek of de therapie te volgen. ‘Rustig’ gaat niet alleen over omgevingsgeluid. Cliënten kunnen ook gevoeliger zijn voor licht, geur en temperatuur.
- Denk na over de materialen. Bij mensen met afasie gebruik je sowieso papier en liefst zwarte stiften (voor het contrast), maar ook voor mensen zonder afasie kan het meeschrijven structurerend werken. Mogelijk gebruik je ook een hulpmiddel en/of foto’s. Zorg dat de cliënt ook het eigen communicatiehulpmiddel meeneemt.
- Denk na over het gezelschap. Wie zijn er bij het gesprek of therapiesessie? Borg de veiligheid van je cliënt bij slechtnieuwsgesprekken. Houd dan het gezelschap bewust klein en zorg voor aanwezigheid van naasten. Denk ook na over de opstelling. Het is prettig dat het gezelschap in het goede blikveld van de cliënt zit, in het geval van een neglect. Verder is je voorkeurshand relevant als je het schrijfgesprek gebruikt: ben je linkshandig? Ga dan aan de linkerkant van de cliënt zitten. Ben je rechtshandig? Dan schrijf je aan de rechterkant mee. Zo kan de cliënt meelezen en zit diegene niet tegen je hand aan te kijken.
2. Aandacht voor een gesprek
- Personen met een neglect benader je zoveel mogelijk aan de niet-aangedane zijde, zodat de cliënt niet schrikt. Om de aandacht vast te houden tijdens belangrijke gesprekken en therapiesessies, kan het zinvol zijn om aan de niet-aangedane zijde te blijven. Bij neglecttherapie kan het juist weer zinvol zijn om het contact te laten verlopen vanuit het aangedane blikveld. Dit moet dan multidisciplinair worden afgesproken en dat kan alleen als de cliënt al weet dat je in de buurt bent. Het eerste contact verloopt dus alsnog vanaf de niet-aangedane zijde.
- Het kan zijn dat je iemands aandacht alsnog moet ‘vangen’. De volgorde is visueel-auditief-tactiel. Zorg eerst dat de cliënt je kan zien. Als je daarmee niet de aandacht vangt, noem je iemands naam. Als je daarmee niet de aandacht ‘vangt’, raak je iemand voorzichtig aan (aan de niet-aangedane arm/schouder).
- Het kan nodig zijn om de aandacht tussendoor ook weer terug te ‘vangen’.
- Houd in de gaten of de cliënt de aandacht bij het gesprek of therapiesessie kan houden.
- Sommige cliënten kunnen door hun hersenletsel minder of geen oogcontact meer maken. Dit hoeft niet altijd te betekenen dat die cliënt de aandacht er niet bij heeft. Zorg dat je het onderscheid goed kan maken: kijkt de cliënt weg door verminderde aandacht of puur door de moeite met het maken van oogcontact.
3. Ondersteuning tijdens een gesprek of therapiesessie
- Met tests, observaties en overleg met je collega’s bepaal je samen hoeveel informatie je cliënt aankan en bij welke vorm je cliënt het meeste baat heeft, bijvoorbeeld welke behandelmethode je gebruikt en op welk niveau. Voor een gesprek bepaalt het niveau van executief functioneren vaak de inhoud van het gesprek: heeft de cliënt overzicht over de eigen situatie? Kan de cliënt in scenario’s denken, wat nodig is om samen te beslissen over de toekomst? Of moet de communicatie in het hier-en-nu blijven bij beschadigd executief functioneren? Bedenk wat een cliënt aankan.
- Bedenk daarbij ook welke stijl je kan hanteren. Kan je alles overleggen (bij personen met goede executieve functies) of moet je directief zijn (bij mensen op een cognitief lager niveau)?
- Bepaal ook of je cliënt figuurlijke taal of grapjes nog goed begrijpt. Zo niet, gebruik dit dan niet in het contact. Zo voorkom je (soms vervelende) misverstanden en ruis.
- Laat gerust stiltes vallen tijdens een gesprek. Je geeft de cliënt hiermee de tijd (voor informatieverwerking en om te reageren). Let goed op de non-verbale expressie van een cliënt: vaak zie je wel of deze nog denkpauze nodig heeft. Vul dan niet in. Wil je toch de vraag nog eens stellen, formuleer deze dan hetzelfde als de eerste keer, om te voorkomen dat de cliënt weer nieuwe informatie moet verwerken.
- Een open deur: pas de gebruikelijke ondersteuning bij afasie toe. Gebruik 2 inputkanalen: gesproken taal én nog een kanaal (geschreven trefwoorden, tekeningen, gebaren, aanwijzen, mimiek, …)
4. Checken van inhoud en afronding
- Gebruik bij cognitief goed cliënten de terugvertelmethode: ‘Ik vind het belangrijk dat ik u alles duidelijk heb uitgelegd. Kunt u mij vertellen wat u hebt begrepen?’
- Bij cognitief slechtere cliënten kan je nog een keer samenvatten, eventueel met ondersteuning van geschreven trefwoorden.
- Schrijf in het communicatieschrift op wat er is besproken, geoefend of gedaan. Dat kan een geheugensteun zijn, maar is ook fijn voor de cliënten met afasie. Het voordeel van een schrift is dat de cliënt het schrift er zelf bij kan pakken om iets te laten lezen, en zo het initiatief kan nemen in een gesprek.
Verder lezen
Een volledig overzicht van cognitieve problemen is te vinden in ‘Klinische neuropsychologie’ van Ben van Cranenburg (2025). Uitgebreidere informatie over cognitieve problemen, ziektebeelden en diagnostiek is te vinden in ‘Klinische neuropsychologie’ van Roy Kessels et al. (2022).





