Evaluatie

Evaluatie is een belangrijk onderdeel van de begeleiding van mensen met afasie in de chronische fase. Het helpt om inzicht te krijgen in de effecten van diagnostiek, doelen en behandeling, en om keuzes te maken voor vervolgstappen.


Op deze pagina vind je suggesties, instrumenten en handvatten om de voortgang op activiteiten- en participatieniveau te volgen en samen met de cliënt en naasten te bespreken.

Moment van evalueren

In de chronische fase ervaren mensen met afasie over het algemeen minder vooruitgang dan in de acute en revalidatiefase. Dit betekent dat er doorgaans meer tijd tussen de evaluatiemomenten zit, meestal 3 à 4 maanden. Wanneer de behandeling vaker dan 1x per week plaatsvindt, is het aan te raden om elke 2 maanden te evalueren (Brady et al., 2016; NVLF, 2025; Worrall et al., 2016).


Het is van belang persoonlijke, concrete, meetbare en haalbare doelen te stellen om het evalueren makkelijker te maken (zie ook de uitleg over SMARTER doelen stellen in de handleiding van de ICAS). Wanneer de doelen zijn behaald, is duidelijk dat de behandeling wordt afgerond. 


Het bespreken van acceptatie/aanvaarding en de verwerking van de gevolgen van het hersenletsel hoort ook bij de behandeling van afasie in de chronische fase. Een evaluatiemoment is hiervoor geschikt en linkt aan doelen die te maken hebben met het vergroten van het zelfvertrouwen in verschillende communicatieve situaties. 

Manieren van evalueren

Gebruik van visueel analoge schalen (VAS)

Een VAS is een lijn van 1 tot 10 waarbij het ene uiteinde ‘slecht’ of ‘helemaal niet’ en het andere ‘heel goed’ of ‘zeker wel’ aanduidt. Bij het stellen van elk afzonderlijk doel kan aan de persoon met afasie worden gevraagd welk cijfer zij/hij zichzelf geeft op deze schaal. Als de VAS op verschillende momenten tijdens de therapie wordt ingezet, kan verandering worden gemeten. Ook is het belangrijk om te vragen of de persoon met afasie tevreden is met dit cijfer, naar welk cijfer de PMA streeft en wat er nodig is om dit te bereiken.


Scenariotest

Deze test wordt gezien als de best passende gevalideerde test om functionele communicatie te meten (Doedens et al., 2020). Vooruitgang of stabilisatie op deze test geeft inzicht in de communicatieve vaardigheden van mensen met afasie.


Comunicatief Zelfvertrouwen bij Afasie (CZA)

De CZA helpt de logopedist en de persoon met afasie inzicht te krijgen in iemands persoonlijke opvattingen over eigen (communicatie)vaardigheden en behandeldoelen hierop af te stemmen. De vragenlijst kan op verschillende momenten tijdens de behandeling worden afgenomen om bijvoorbeeld (waargenomen) effecten van een interventie te evalueren. De CZA kan worden ingevuld door de persoon met afasie, indien gewenst met hulp van een naaste of logopedist. Eindscores geven een beeld van hoe zeker iemand zich voelt in een bepaalde communicatieve situatie. De totaalscore geeft een beeld van hoe zeker iemand zich voelt in verschillende communicatieve situaties. 


Inventarisatie Communicatie in Alledaagse Situaties (ICAS)

De ICAS is een instrument bestaande uit een vragenlijst en verdiepend gesprek om doelen te stellen gericht op communicatie in alledaagse situaties. De doelen kunnen worden geëvalueerd door (delen van) de vragenlijst opnieuw in te laten vullen na een periode van behandeling. Het vergelijken van de oude met de nieuwe resultaten kan inzicht geven in de eventuele vooruitgang op de verschillende onderdelen die de cliënt heeft aangegeven te willen veranderen. 


Opname van alledaagse communicatie

Een opname van alledaagse communicatie kan worden vergeleken met een eerdere opname in dezelfde setting. Deze vergelijking kan uitgevoerd worden aan de hand van vooraf afgesproken doelen, die samen met de persoon met afasie zijn bepaald. Bijvoorbeeld: de lengte van uitingen, het gebruik van gebaren of de inzet van een hulpmiddel. Ook het gedrag van de naaste of gesprekspartner kan worden meegenomen, zoals: ruimte geven om te spreken, een vraag tegelijk stellen of belangrijke woorden opschrijven.

Betrekken van naasten

  • Nodig de naaste expliciet uit voor het intakegesprek en de evaluatiegesprekken.
  • Leg uit dat de betrokkenheid van de naaste een positief effect kan hebben op het herstel van de persoon met afasie.
  • Benadruk het belang van wederzijds begrip: een gelijkwaardig gesprek kan alleen ontstaan als beide gesprekspartners moeite doen om elkaar te begrijpen. De PMA kan niet meer communiceren zoals voor het letsel; daarom is het belangrijk dat de naaste zich ook aanpast om het gesprek op een passend niveau te voeren.
  • Vraag na wat er wel en niet goed gaat in de alledaagse communicatie.
  • Maak gebruik van een gestructureerde aanpak om de naaste te ondersteunen, bijvoorbeeld: 
  • PACT (Partners van Afasiepatient Communicatie Training)
  • SCA (Supported Conversation for Adults with Aphasia)
  • Samen beslissen (zie ook thema Naasten)
  • PPEP4ALL (Patiënt en Partner Educatie Programma voor alle chronische ziekten)
  • Evalueer regelmatig de samenwerking met de naaste en pas deze aan op basis van de ontvangen feedback.
  • Voorbeelden van evaluatievragen:
  • Wat vindt u prettig aan de samenwerking tot nu toe?
  • Waar heeft u nog behoefte aan?
  • Wat zou u anders willen zien?
  • Inventariseer in een vroeg stadium de behoeften van naasten. Samenwerking met andere disciplines kan van grote meerwaarde zijn. Als de logopedist zich niet voldoende toegerust voelt om de naaste hierin te ondersteunen, is samenwerking met bijvoorbeeld ergotherapie, maatschappelijk werk, psycholoog of (tijdelijke) ambulante begeleiding aan te bevelen.

Beëindigen behandeling

Over het algemeen kan de behandeling worden afgerond wanneer de doelen van de persoon met afasie naar tevredenheid zijn behaald. Als de cliënt nog mogelijkheden ziet, maar uit de evaluaties blijkt dat er geen aantoonbare vooruitgang meer wordt geboekt, is het belangrijk dit eerlijk te bespreken en samen tot een weloverwogen beslissing te komen (Rose et al., 2017).

  • Begin het gesprek met het uitleggen van de reden van het evaluatiegesprek, en geef de persoon met afasie en de naaste de ruimte om hierop te reageren;
  • Bespreek de objectieve resultaten van testen of andere meetinstrumenten;
  • Erken het perspectief van de persoon met afasie: dat hij of zij misschien graag door zou willen gaan met de behandeling, maar dat jouw behandeling op dit moment geen verdere meerwaarde biedt;
  • Introduceer het idee van afronding: benadruk het belang van het behouden van het huidige communicatieniveau en bespreek hoe dit ondersteund kan worden. Maak hier eventueel een behandeldoel van.
  • Bespreek mogelijke vervolgstappen, zoals het tijdelijk voortzetten van de behandeling (bijvoorbeeld nog een maand) om opties voor dagbesteding of andere ondersteuning te bespreken. Zorg voor een actuele lijst met doorstroommogelijkheden.
  • Plan bij het daadwerkelijk afsluiten van de behandeling eventueel een controleafspraak, als de cliënt en/of naaste daar behoefte aan heeft.
  • Benader het afsluiten van de behandeling als positief, als de doelen zijn behaald dan weet de cliënt zich te redden zonder de logopedist (empowerment).

Verdiepende thema’s

Evaluatie bij afasie is meer dan het meten van vooruitgang op taaltaken en vraagt om interpretatie binnen de persoonlijke context van de cliënt. Evaluatie vindt altijd plaats in relatie tot de eerder geformuleerde doelen: niet alleen of er verandering is, maar of die verandering betekenisvol is voor het dagelijks functioneren en participatie van de persoon. Daarnaast is aandacht voor identiteit essentieel, omdat veranderingen in zelfbeeld, rollen en zelfvertrouwen invloed hebben op hoe iemand vooruitgang ervaart: